Skip to content

vervagen

Alzheimer en vroegdetectie

Vroege symptomen Alzheimer mogelijk al eerder op te sporen met MRI (2014)
De ziekte van Alzheimer is een groot probleem in met name de Westerse wereld. Maar de diagnose kan nu pas definitief gesteld worden na de dood, aan de hand van kenmerkende ophopingen van bepaalde eiwitten, zoals amyloïd-β en tau. Rob Nabuurs zocht naar methodes om de ziekte van Alzheimer eerder aan te tonen. Met MRI ontdekte hij dat een afwijkende distributie van myeline en ijzer in de grijze stof in de hersenen de ziekte misschien beter verraden dan de nu veelgebruikte amyloid-plaques.

Wereldwijd zoeken onderzoekers daarom naar biomarkers die wijzen op de ziekte van Alzheimer. Nabuurs deed dat onder meer met MRI, waarmee met een magnetisch veld verschillende soorten weefsels in het lichaam zichtbaar kunnen worden gemaakt. Het maken van een MRI is relatief goedkoop, op veel plaatsen beschikbaar en wordt veelal toch al gemaakt om andere oorzaken, zoals bijvoorbeeld hersenbloedingen, uit te sluiten.
Nabuurs onderzocht hoe MRI het beste kan worden ingezet om de ziekte van Alzheimer aan te tonen. Hij ontdekte dat naast de bekende ophopingen van amyloïd-β in de hersenen, er ook ijzeropeenhopingen in de cortex (de grijze stof) plaatsvonden en veranderingen in het patroon van myeline (deze stof omhult  de uitlopers van zenuwcellen).

Deze veranderingen in de grijze stof kunnen mogelijk gebruikt worden om de ziekte van Alzheimer in een vroeg stadium op te sporen. Misschien gaan deze wijzigingen zelfs vooraf aan ophoping van de eiwitten amyloïd en tau.
Zowel amyloïd precursor proteïne, een voorloper van amyloïd-β, en tau zijn betrokken bij de binding van ijzer in het brein. Daarbij is het ijzer nodig voor de opbouw en afbraak van myeline. Wanneer in dat proces iets niet goed gaat, krijg je een ophoping van ijzer. Mogelijk probeert het lichaam het schadelijke ijzer weg te vangen door meer van deze eiwitten te produceren. Het zou dus kunnen dat de primaire oorzaak van de ziekte van Alzheimer ligt bij problemen met de aanmaak of afbraak van myeline.

Bron: Leids Universitair Medisch Centrum. Rob Nabuurs promoveerde op 28 mei op het proefschrift 'Molecular neuroimaging of Alzheimer’s disease'

Ruggenprik maakt proces Alzheimer inzichtelijk (2011)
Het verloop van de ziekte van Alzheimer is te volgen door eiwitten in het hersenvocht (biomarkers) te meten. Tot nu toe werd het verloop van de ziekte vooral gemeten door de mate van geheugenverlies bij de patiënt. Het volgen van het verloop van de eiwitten is niet alleen nauwkeuriger, maar weerspiegelt ook heel direct de processen die zich in de hersenen van alzheimerpatiënten afspelen.
In een onderzoek werden biomarkers (eiwitten) onderzocht waarvan bekend is dat deze specifiek zijn voor de ziekte van Alzheimer. Daarnaast werden ook biomarkers onderzocht die algemener zijn voor hersenschade. Verrassend is dat juist de algemene marker isoprostane het meest adequaat het verloop van de ziekte van Alzheimer weergeeft. Dit onderzoek laat zien dat voor het volgen van het beloop van de ziekte van Alzheimer andere biomarkers gebruikt moeten worden dan voor de diagnose van de ziekte. Op dit moment zijn er nog geen medicijnen die de het ziekteproces tot stilstand brengen. Het onderzoek biedt aanknopingspunten voor een relatief eenvoudige meetmethode om effecten van medicijnen te volgen.
Bron: www.vumc.nl , Amsterdam, januari 2011

Diagnose van de ziekte Alzheimer met biomarkers is betrouwbaar (2009)
Een van de meest veel belovende methoden voor een vroege diagnose van de ziekte van Alzheimer is het meten van specifieke eiwitten (biomarkers) in hersenvocht. Uit een lange-termijn onderzoek van VUmc blijkt dat de meest gebruikte biomarkers, amyloid beta en tau, inderdaad betrouwbare informatie opleveren bij het stellen van de diagnose ziekte van Alzheimer. Voorwaarde is wel dat ervaren laboratoria de metingen uitvoeren. De basis voor onderzoek naar een zo vroeg mogelijke diagnose voor deze ziekte is hiermee verstevigd.
De officiële diagnose 'Ziekte van Alzheimer' kan pas laat in het ziekte proces worden vastgesteld. Te laat om de ontwikkeling van de ziekte te volgen, eventuele behandelingen te ontwikkeling en deze toe te passen. Onderzoek naar methoden om de diagnose tijdens het leven in een zo vroeg mogelijk stadium te kunnen stellen, is essentieel om een behandeling te vinden voor deze ziekte.
Bron: www.vumc.nl , Amsterdam, november 2009

Markers om effecten van medicijnen aan te tonen (2007)
In 2007 is in het Alzheimercentrum VUmc (Amsterdam) een onderzoek naar een nieuwe opsporingsmethode (marker) gestart die gebruikt kan worden voor vroegdiagnostiek naar de ziekte van Alzheimer. Daarnaast hopen de onderzoekers antwoord te krijgen op de vraag of deze marker de effectiviteit van medicijnen kan testen. Dit onderzoek brengt het vinden van een nieuw medicijn tegen Alzheimer een stap dichterbij. De Europese Commissie heeft voor dit onderzoek heeft een subsidie toegekend van 620.000 euro. Het gaat om een samenwerkingsproject tussen verschillende centra uit zes Europese landen, Alzheimercentrum VUmc heeft de coördinatie.

Recente studies hebben aangetoond dat de zogenoemde oligomeren van het eiwit bèta-amyloid de vroegste uitingen zijn van de ziekte van Alzheimer. Oligomeren zijn chemische verbindingen die bestaan uit een klein aantal eenheden, in dit geval het eiwit bèta-amyloid. De ontdekking van deze oligomeren is één van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van onderzoek naar het ontstaan van de ziekte van Alzheimer in de afgelopen jaren geweest. Het Alzheimercentrum VUmc onderzoekt nu of deze oligomeren een geschikte marker zijn.
Afwijkingen in de ontwikkeling van het eiwit bèta-amyloid is een belangrijk kenmerk van de ziekte van Alzheimer. Op dit moment wordt internationaal gewerkt aan therapieën die de ontwikkeling van het bèta-amyloid-eiwit kunnen wijzigen. De totstandkoming van een afdoend medicijn tegen Alzheimer wordt door twee zaken belemmerd. Ten eerste door het gebrek aan de juiste diagnostische criteria om de ziekte van Alzheimer in een vroeg stadium op te sporen. En ten tweede door het ontbreken van zogenoemde markers om het effect van medicijnen aan te tonen.
Bron: www.vumc.nl , Amsterdam, 15 februari 2007

Biomarkers in hersenvocht als mogelijke voorspellers (2006)
Bij mensen onder de 65 jaar met geheugenklachten wordt vaak niet gedacht aan de ziekte van Alzheimer. Bovendien is de ziekte in een vroeg stadium niet altijd duidelijk te herkennen via hersenscans (MRI) en neuropsychologisch onderzoek. Uit onderzoek aan het Alzheimercentrum van het VU medisch centrum is gebleken dat eiwitten in het hersenvocht (biomarkers) kunnen aangeven of iemand de ziekte van Alzheimer heeft.

Van patiënten die op de geheugenpolikliniek van het Alzheimercentrum VUmc kwamen met geheugenklachten en verschillende vormen van dementie, is hersenvocht verzameld. Het bleek dat de concentraties van drie eiwitten (amyloid-  42, tau en gefosforyleerd tau) anders zijn in het hersenvocht van Alzheimerpatiënten dan bij niet-patiënten. Bij de helft van de patiënten met een voorstadium van de ziekte van Alzheimer waren de eiwitten al afwijkend in het hersenvocht. De biomarkers kunnen de ziekte van Alzheimer niet alleen voorspellen, maar ook uitsluiten. Als tenminste twee van de drie biomarkers afwijkend zijn, is er hoogstwaarschijnlijk sprake van de ziekte van Alzheimer. Als alle drie de markers normaal zijn, is de ziekte vrijwel uitgesloten.

Met de toenemende vergrijzing zal het aantal mensen met dementie de komende jaren stijgen (prognose). De meest voorkomende vorm van dementie is de ziekte van Alzheimer. Het wordt steeds belangrijker om de diagnose Alzheimer in een vroeg stadium te stellen, zodat tijdig kan worden gestart met begeleiding en therapie. Vroegdiagnostiek met behulp van biomarkers blijkt nu dus mogelijk, al zal zij wel aangevuld moeten blijven met andere diagnostische methoden.
Bron: www.vumc.nl , Amsterdam, november 2006

Scroll To Top