Skip to content

vrouw dementie

Centrale gedragskenmerken bij dementie

Onder centrale kenmerken wordt verstaan die verschijnselen die vooral op de voorgrond treden. Deze verschijnselen zijn:

Inprentingsstoornissen
Met inprenting bedoelen we "het proces van vastleggen van nieuwe feiten die de mens via de zintuigen ontvangt". Dit betekent dat iemand niet meer in staat is om dingen die zojuist gebeurd of gezegd zijn te onthouden, deze zaken komen immers niet meer in het geheugen. We spreken dan van vergeetachtigheid voor recente gebeurtenissen. Bedenk dat we onder deze "vergeetachtigheid" de meer-dan-normale-vergeetachtigheid verstaan. Iedereen is namelijk wel eens vergeetachtig, maar dat wil niet zeggen dat iedereen dan ook licht dementeert.

Doordat nieuwe informatie niet meer onthouden wordt, kunnen in toenemende mate problemen ontstaan in het dagelijks functioneren van de persoon. Door zo'n inprentingsstoornis blijken allerlei handelingen waarbij men even iets moet onthouden, moeilijk te worden.

Bijvoorbeeld: men weet niet meer waar men zijn bril heeft neergelegd of dat men water opgezet heeft voor de thee. Het telefoneren kan problemen opleveren, boodschappen doen, aan een gesprek deelnemen of volgen, televisie- en radioprogramma's volgen.
Deze stoornis kan geleidelijk aan toenemen. Dit heeft dan tot gevolg dat men niet meer weet wat men gisteren heeft gedaan of dat er een nieuw kleinkind is geboren. Verder vloeit hieruit voort dat het leervermogen afneemt, men is minder goed in staat om nieuwe vaardigheden aan te leren. Bijvoorbeeld: als men is verhuisd duurt het langer voor men de weg kent.

Problemen in de oriëntatie
Een gestoorde inprenting maakt het ook moeilijk een tijdstip te weten of een tijdsduur te beleven: daarvoor is een herinnering van voorafgaande tijdsmarkering noodzakelijk. Heeft men moeite met het vasthouden of zich oriënteren aan de hand van een tijdstip of dag van de week/ maand van het jaar, dan spreekt men van desoriëntatie in tijd.

Op een vergelijkbare manier ontstaat desoriëntatie in plaats. Ook daar zijn markeringspunten nodig. Als ik ergens iemand wil opzoeken dan zal ik op zijn minst het adres moeten onthouden. Wie vijfentwintig jaar naar zijn werk fietst, kan die weg wel dromen. Zo'n routinehandeling heeft niets te maken met het korte-termijn geheugen. Maar wie op vakantie is en de naam van het hotel of verblijfplaats niet onthoudt, vindt die zonder hulp niet meer terug. Hij of zij verdwaalt.

Een derde vorm van desoriëntatie is de desoriëntatie in persoon. De persoon in kwestie kan dan geen namen en gezichten onthouden, nieuwe mensen blijven nieuw en onbekend. De nieuwe buren, de nieuwe postbode en de nieuwe winkelier worden niet herinnerd en "vreemd" gevonden.

Geheugenstoornissen
Het geheugen raakt op den duur ook zelf aangetast. Dat wil zeggen dat zaken die men voorheen wel wist (ze waren opgeslagen in het geheugen) verloren lijken te raken. Men herinnert zich steeds minder van het eigen verleden. Men weet bijvoorbeeld niet meer dat men getrouwd is of met wie men getrouwd was. Eén van de pijnlijke verschijnselen kan zijn dat men de eigen kinderen niet meer herkent als zijnde de zoon of dochter.

De meest nabije personen worden niet meer herkend, ja zelfs het eigen gezicht in de spiegel wordt dat van een vreemde. "Wie is die man daar?", wordt er soms gevraagd. Iemand kan zelfs angstig en agressief worden, omdat die "ander" er steeds is. Het verwijderen van de spiegel kan dan rust geven.
Het lijkt wel of de oudste herinneringen het langst blijven bestaan, wat zou verklaren waarom men in het gedrag vervalt van de eigen jeugd en naar vader of moeder wil.

Achteruitgang van het verstandelijk functioneren
De intellectuele vaardigheden nemen bij dementie af. Het duurt langer eer men inzicht heeft in een bepaalde situatie, de rekenvaardigheid neemt af, het gelezene wordt minder goed, of niet meer begrepen. Het oplossen van problemen wordt minder en het omgaan met geld wordt steeds moeilijker.

Het lijkt wel of iemands intelligentie aangetast raakt. Intelligentie is daarbij een complex begrip. Het heeft iets te maken met geestelijke vermogens als: vermogen tot oordelen, tot logisch redeneren, verbeeldingskracht en het vermogen zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Ook wel samen te vatten als "het gezonde verstand". Stoornissen op dit gebied vallen misschien wel het eerst op: het niet meer in staat zijn logische denk-combinaties te maken, het onvoldoende in staat zijn eigen denken en handelen te corrigeren, gestoorde opvattingen, gestoord oordeel en gestoorde kritiek op zichzelf en anderen. Een goed concentratievermogen (aandacht), een goed geheugen en niet te snel vermoeid raken zijn voorwaarden die van belang zijn voor een goed functioneren van de intelligentie. Het zijn juist deze voorwaarden die ontbreken bij een dementieël syndroom.

Tot besluit
Onze waarneming bepaalt mede ons gedrag. In een ziekenhuis gedragen wij ons anders dan in een vergadering. In een museum gedragen wij ons anders dan thuis. Maar wie niet waarneemt dat hij in het museum is en beleeft dat hij thuis is, zal vermoedelijk in de problemen komen. Er treedt vervreemding op van de omgeving die zo vertrouwd was. Waarnemen brengt ons ook in een bepaalde stemming. Wie in de trein zit op weg naar zijn vakantie en waarneemt dat het einddoel bijna bereikt is, zal in een bepaalde vakantiestemming komen. Wie op dat moment waarneemt dat de trein gekaapt wordt en zich gegijzeld weet, zal plotseling een geheel andere stemming krijgen. Voor de dementerende mens is het waargenomene in zijn beleven smakeloos geworden. Niets boeit hem of haar meer. Het gehoorde wordt niet meer herkend: de dialoog met de medemens wordt monoloog. Ook het zichtbare boeit de ernstig demente mens niet meer. En de geur van lekker eten wordt niet herkend.

Wie zin heeft in een kopje thee en niet meer weet of hij het al gehad heeft, zal waarschijnlijk zeggen dat hij nog niets heeft gekregen. Wie zich eenzaam voelt en zich niet herinnert dat de kinderen op bezoek zijn geweest, zal klagen over weinig of geen bezoek. De ontmoeting met de dementerende mens wordt daardoor geheel anders. Ook mimiek, spraak en gebaren worden anders. Komt men met dezelfde verwachtingen als vóór het dementeringsproces, dan wordt men daarin diep teleurgesteld en die teleurstelling kan dan weer aanleiding geven tot agressiviteit van de familie, de levenspartner.
Het bovenstaande moge duidelijk maken dat het lijden aan een dementie syndroom een proces is dat de gehele mens raakt. Dementie heeft tot gevolg dat de kenmerken van de persoon verloren gaan. Kenmerken die naar voren komen in emoties, intelligentie, intuïtie, lichaam, geloof, hoop en liefde. Omgaan met mensen die lijden aan een dementie syndroom is slechts goed mogelijk met inzicht in het ziektebeeld. Wie met dat inzicht met de dementerende mens op weg gaat, zal nog een heel eind kunnen meelopen.

Scroll To Top