Skip to content

Coachingsstijlen

Een EVV zal taken moeten delegeren aan collega’s. Het is belangrijk dat je zicht hebt op de capaciteiten van die collega’s. Immers aan delegeren dat niets oplevert, heb je niets. Dan kun je beter zelf doen. Bij coaching zijn er twee punten waar je op moet letten:

  1. Taakvolwassenheid
    De mate waarin de collega competent is: de kennis en vaardigheden heeft om de taak uit te voeren.
  1. Motivatie en zelfvertrouwen
    De mate waarin de collega ook belangstelling of enthousiasme heeft om de taak te doen (motivatie => vindt het ‘leuk’, heeft ‘er zin in’) en de mate waarin de collega in staat is zonder veel toezicht de taak goed uit te voeren (zelfvertrouwen => zich zeker van zichzelf voelt).

Nb. Merk op dat dit veel overeenkomsten heeft met het competentiemodel zoals dat staat in de tekst van lesdag 1.

De verschillende combinaties van deze twee punten leveren vier stijlen van coachen op:

 

Toelichting stijl ‘ondersteunen’ (A)

Taakvolwassenheid en motivatie
Je schat in dat je collega voldoende kennis en vaardigheid heeft om de taak goed uit te voeren. Je schat ook in dat de motivatie om de gevraagde taak uit te voeren gering is. Dat kan liggen aan een gebrek aan zelfvertrouwen (onzekerheid) of angst om de verantwoordelijkheid voor die taak te dragen.

Coachingsstijl: ‘ondersteunen’
Bespreek de mogelijke onzekerheid of angst voor het dragen van verantwoordelijkheid en maak een plan van aanpak. Je stelt je collega gerust en ondersteunt actief. Je kunt de mate waarin je collega zelfstandig de taak uitvoert faseren of stapsgewijs opbouwen. Vertrouwen uitstralen is belangrijk.

Werkwijze

  • Vraag hoe je collega het eigen functioneren over de afgelopen tijd ziet en geef aan dat je meer aan je collega wilt vragen
  • Geef ruimte voor gevoelsuitingen van de ander (het niet durven). Maak deze bespreekbaar door open vragen te stellen.
  • Geef zelf aan wat je aan mogelijke capaciteiten in de ander ziet. Geef feedback, reflecteer en spiegel. Straal vertrouwen in de ander uit.
  • Maak samen een plan van aanpak met een rol voor je collega en een rol voor jezelf (wat kun je doen om de ander te ondersteunen).
  • Ondersteun je collega actief en evalueer regelmatig.


Toelichting stijl ‘overtuigen en confronteren’ (B)

Taakvolwassenheid en motivatie
Je schat in dat je collega niet voldoende kennis en vaardigheid heeft om de taak goed uit te voeren. Je schat ook in dat de motivatie om de gevraagde taak uit te voeren gering is. Je schat in dat het gaat om onwil om de verantwoordelijkheid voor die taak te dragen.

Coachingsstijl: ‘overtuigen en confronteren’
Het doel is een einde te maken aan een ongewenste situatie door direct en onomwonden de boodschap bij de collega neer te leggen. Je maakt ook duidelijk en bent je ervan bewust dat je samen ‘verder moet’. Van belang is dan dat je met elkaar in contact blijft.

Werkwijze

  • Bereid het gesprek goed voor. Zet het bijvoorbeeld voor jezelf op papier. Geef argumenten en voorbeelden.
  • Vertel de minder prettige boodschap meteen (zie ook ‘slecht nieuws gesprek’). Blijf bij de inhoud (daar waar het om gaat).
  • Toon begrip voor de reactie door op het gevoel te reflecteren maar neem niets weg van de boodschap (niet afzwakken).
  • Geef aan wat de effecten van het (ongewenste) gedrag zijn. Wees beducht voor het aandragen van ‘verzachtende omstandigheden’ (verklaringen, excuses etc.)
  • Maak concrete afspraken over het gewenste gedrag.

Toelichting stijl ‘delegeren’ (C)

Taakvolwassenheid en motivatie
Je schat in dat je collega voldoende kennis en vaardigheid heeft om de taak goed uit te voeren en voldoende motivatie en zelfvertrouwen heeft om de gevraagde taak uit te voeren.

Coachingsstijl: ‘delegeren’
De collega doet het prima. Je merkt dat deze meer verantwoordelijkheid wil dragen (bijvoorbeeld doordat deze initiatieven neemt, zelf taken oppakt). Het kan zelfs wenselijk zijn om deze collega meer taken te geven om te voorkomen dat deze gedemotiveerd raakt.

Werkwijze

  • Bedenk vooraf wat je collega meer zou kunnen doen (welke taken deze uit je handen zou kunnen nemen).
  • Plan een gesprek en maak je vermoedens kenbaar. Indien deze juist blijken te zijn, maak kenbaar wat je je collega meer aan taken zou willen geven. Let op de reactie.
  • Spreek af welke terugkoppeling je wilt hebben en hoe ver je collega mag gaan.

Toelichting stijl ‘instrueren’ (D)

Taakvolwassenheid en motivatie
Je schat in dat je collega onvoldoende kennis en vaardigheid heeft om de taak goed uit te voeren maar wel gemotiveerd is om de gevraagde taak uit te voeren en ook bereid is zich hiervoor in te zetten.

Coachingsstijl: ‘instrueren’
Je hebt een belangrijke voorbeeldrol. Je bent de ‘leermeester’van je collega. Je draagt je eigen kennis en vaardigheden over aan je collega. Belangrijk is de taak te demonstreren. Dat kan afhankelijk van de persoon, gaan om het letterlijk voordoen, stappen op papier zetten of vertellen.

Werkwijze

  • Bedenk vooraf wat je je collega wilt laten doen. Werk de taak in stappen uit op papier.
  • Bespreek het met je collega en tevens de manier waarop je collega het het beste kan leren (vanuit je collega; denk aan het onderdeel ‘leerstijlen’).
  • Spreek af op wie en wanneer de collega eventueel kan terugvallen en wanneer je samen evalueert. Zet het in je eigen agenda maar leg de verantwoordelijkheid voor de afspraak bij je collega.

 

Scroll To Top