Skip to content

stoplicht

De stoplichtmethode

De stoplichtmethode heeft als doel het hanteren en mogelijk voorkomen van agressief of onbegrepen gedrag en te anticiperen op een (mogelijke) crisissituatie.
Bij de ‘ontwikkeling’ van een crisis neemt  bij de cliënt de grip op de situatie af (controleverlies) en de angst toe. Bij de toename van angst treden gedragsveranderingen op ten opzichte van het ‘normale’ gedrag.  Door die gedragsveranderingen (tijdig) op te merken en zodoende al in een vroeg stadium op die veranderingen te reageren kan escalatie worden te voorkomen.

Herkennen van de signalen
De stoplichtmethode is een hulpmiddel om die signalen bij een cliënt te herkennen. Tegelijk wordt aangegeven hoe hier op in te spelen zodat de spanning vermindert of niet verder toeneemt.
Deze methode volgt de drie fasen van crisisontwikkeling en wordt uitgedrukt in de kleuren van een stoplicht:

GROEN: Stabiele situatie
Gedrag cliënt Hoe te handelen?
Er is er niets aan de hand, er is sprake van evenwicht, de situatie is stabiel. De cliënt heeft grip op de situatie en is ontspannen. Bekrachtigen door:

  • positieve aandacht geven
  • complimenteren
ORANJE: Controleverlies
Gedrag cliënt Hoe te handelen?
Toename van angst. Dit kan zich uiten in: onrust, anders kijken (alert), met deuren slaan etc. Het realiteitsbesef is nog wel aanwezig, de cliënt is (nog) redelijk goed te bereiken. De houding van de zorgverlener is hier ondersteunend. Het is belangrijk de cliënt te laten weten dat je de gedragsverandering hebt opgemerkt en dat je hulp aanbiedt. De houding is er niet op gericht de controle over te nemen. Aanwezig zijn is belangrijk.
De situatie kan verder gaan ontsporen door toenemend verlies van de controle. De angst of woede is zo groot is dat er weinig tot geen realiteitsbesef meer is. Gedragsveranderingen kunnen zijn; dreigen, motorische onrust, ontremd zijn. De cliënt is de controle kwijt en is op zoek naar grenzen. De zorgverlener moet hier directief zijn en de controle overnemen door heldere, concrete en uitvoerbare grenzen te stellen. De zorgverlener bepaalt wat er gaat gebeuren en op welke manier. De zorgverlener let op de intonatie en lichaamstaal die passen bij de situatie.
ROOD: Escalatie
Gedrag cliënt Hoe te handelen?
In deze fase laat de cliënt agressief c.q. grensoverschrijdend gedrag zien: schreeuwen, slaan, schoppen, spuwen. De zorgverlener zet aangeleerde (verweer)technieken in of kiest voor een prikkelarme omgeving om dit gedrag te stoppen.

Een voorbeeld
De heer Janssen, 73 jaar, woont in een kleinschalige psychogeriatrische woonvorm. Hij is passief en maakt weinig contact met anderen. Tijdens de zorg stelt hij zich afhankelijk op. Het kost de medewerkers behoorlijk wat overtuigingskracht om te zorgen dat hij opstaat. Is hij eenmaal op dan zit hij meestal rustig en tevreden in de huiskamer, zijn koffie drinkend. Soms heeft hij zijn dag niet. Hij is dan snel geïrriteerd en vloekt en scheldt. Soms gaat dit over in schoppen en slaan. De heer is dan niet voor rede vatbaar. Het team vindt dit gedrag erg onvoorspelbaar en wil kijken of het wellicht ook anders kan.

Er wordt een omgangsplan gemaakt. Een element daaruit is dat er met hem in gesprek wordt gegaan als hij negatief is naar anderen. Dit lijkt goed te werken, maar alleen zolang zijn agitatie niet te hoog is opgelopen. Gebeurt dat wel dan hebben deze afspraken eerder een omgekeerd effect en moeten de medewerkers uitkijken niet een klap te ontvangen. Vervolgens proberen zij hem op ‘mindere dagen’ meer op zijn kamer te laten. Dit met wisselend succes: soms blijft hij op zijn kamer maar omdat het daar stil is, zoekt hij toch weer snel de huiskamer op. Medicatie heeft een vervelende bijwerking: hij wordt suf en wil niet meer uit bed komen.

Er wordt een 'stoplicht' van mijnheer Janssen gemaakt. Het blijkt dat het gedrag minder onvoorspelbaar is dan eerst leek. Er blijken wel signalen te zijn die aan de uitbarsting vooraf gaan (zoals meer op anderen letten, vaker over de schouder kijken, zuchten of een rood gezicht krijgen).
In het teamoverleg wordt elke fase van de stoplichtmethode voorzien van geobserveerd gedrag en een daarbij passende interventie.

GROEN: Stabiele situatie
Gedrag cliënt Hoe te handelen?
- zit rustig in de huiskamer
- drinkt rustig zijn koffie
- gezicht is ontspannen

 

- iets bij de koffie aanbieden
- aangeven dat het prettig is dat hij er is.
ORANJE: Controleverlies
Gedrag cliënt Hoe te handelen?
- zucht regelmatig
- houdt anderen in de gaten
- kijkt regelmatig over zijn schouder

 

- vragen of er iets aan de hand is
- vragen of je iets voor hem kunt doen
- aanbieden om samen een rustig plekje te zoeken
- kijkt boos
- snellere bewegingen
- rode huidskleur
- negatieve opmerkingen naar anderen
- dreigt anderen wat aan te doen
- begrenzen door aan te geven dat je niet wilt dat
meneer deze opmerkingen maakt
- ruimte creëren zodat confrontatie met anderen
wordt voorkomen
ROOD: Escalatie
Gedrag cliënt Hoe te handelen?
- schelden
- schoppen
- slaan
- spugen
- knijpen
- Time-out, m.b.v. 2 personen naar zijn kamer
brengen
- kort aangeven dat je meneer tot rust laat komen
- elke 5 minuten controleren hoe het gaat

 

Door tijdig de juiste interventie toe te passen, kan de crisis (fase ROOD) worden voorkomen. Als we er van uitgaan dat verbaal (en fysiek) geweld veelal voorkomt uit angst, is het voorstelbaar dat iemand in fase Oranje behoefte heeft aan een invoelende, ondersteunende interventie. Geruststelling en troost bij lichte angst hebben vaak een positief resultaat. In die fase dreigt iemand de controle te verliezen. De heer Janssen is dreigend en op zoek naar een grens. Als die niet duidelijk wordt gesteld maar er bijvoorbeeld bij voortduring invoelend wordt gereageerd, kan het escaleren.

 

Scroll To Top