Skip to content

6

Delier

Delier is een acute verwardheid die vaak gepaard gaat met angst, hallucinaties en onrust. Het is niet bekend hoeveel cliënten in de thuiszorg of in verpleeg- of verzorgingshuizen een delier krijgen. De cijfers in onderzoek naar het voorkomen van delier bij ouderen in zijn algemeenheid, varieren van 4 tot wel 60%. In een gemiddeld ziekenhuis zou het bij 15% van de 65-plussers voorkomen. Daarnaast geldt: hoe hoger de leeftijd, hoe hoger het risico.  

Wat is een delier? 
Een delier is een stoornis waarbij de hersenen tijdelijk niet in staat zijn om alle prikkels samen te voegen tot een logisch samenhangend beeld van de werkelijkheid. De verwardheid is meestal tijdelijk maar kan ook chronisch zijn als de onderliggende oorzaak onbehandelbaar is. Het kan uren tot dagen duren en sterk wisselen. Als gevolg van een delier gedraagt de cliënt zich verward, angstig, onrustig, of in geval van een stil delier, apathisch en initiatiefloos. Het bewustzijn is wisselend gestoord: perioden van verwardheid worden afgewisseld met heldere momenten. De cliënt is moeilijk aanspreekbaar en ruikt of hoort dingen die er niet zijn (hallucinaties), of wordt gehinderd door irreële ideeën waar hij niet vanaf te brengen is (wanen). De oorzaak is altijd één of meerdere lichamelijke (somatische) aandoeningen. Als deze worden verholpen, zal het delier verdwijnen.

Signalen van een delier

  • Snel optredende verwardheid: desoriëntatie in tijd, plaats en persoon.
  • Moeite hebben met denken en concentreren.
  • Geïrriteerdheid, gespannenheid, angst.
  • Rusteloosheid of juist teruggetrokken.
  • Verminderd korte termijn geheugen.
  • Plukkerig gedrag zoals friemelen aan lakens, kleding e.d.

Oorzaken
Meestal gaat het om een samenspel van factoren dat bij het ontstaan van een delier een rol speelt:

  • De belangrijkste factoren zijn:
    • overmatig medicijngebruik (intoxicatie), bepaalde (combinaties van) medicijnen (opiaten zijn een voorbeeld, of juist het stoppen ervan (onttrekking),
    • uitdroging (dehydratie) en
    • ontstekingen aan urinewegen of longen.

Andere mogelijke oorzaken zijn:

  • In het verleden opgelopen hersenletsel, zoals een hersenschudding of hersenbloeding / CVA.
  • Mensen die al eerder een delier hebben gehad, hebben meer kans opnieuw een delier te krijgen onder soortgelijke omstandigheden.
  • Lichamelijke aandoeningen zoals:
    • suikerziekte (diabetes mellitus) die niet goed onder controle is,
    • kanker,
    • een hartinfarct,
    • ondervoeding,
    • koorts of gebrek aan slaap.
  • Cliënten in de terminale fase.
  • Een operatie of ongeval (bijvoorbeeld na een gebroken heup of hersenschudding als gevolg van een val).
  • Teveel of een combinatie van bepaalde medicijnen: bijvoorbeeld opiaten, slaappillen, geneesmiddelen tegen parkinson of hartritmestoornissen en antidepressiva.
  • Het verblijven in een andere, voor de cliënt vreemde omgeving (bijvoorbeeld verhuizing naar een verpleeg- of verzorgingshuis of opname in een ziekenhuis) kan de kans op het ontwikkelen van een delier vergroten.

Verschijnselen
De verschijnselen van een delier wisselen gedurende de dag. Meestal verergeren de symptomen 's avonds en 's nachts, waardoor cliënten met een delier niet goed slapen.
Overdag kan de verwardheid minder zijn of helemaal verdwenen. Vaak weet een cliënt overdag niet meer wat hij de voorgaande nacht heeft gedaan. Bij delirante cliënten is vaak het bewustzijn verlaagd. De cliënt is minder helder dan normaal, het lijkt alsof de dingen langs hem heen gaan. Hij zal moeilijk aanspreekbaar zijn en gauw afgeleid. Waar we normaal gesproken, onbewust, een selectie maken op welke prikkels we reageren, kan een delirante cliënt juist ontzettend alert zijn en op alle prikkels reageren, Dit kan ertoe leiden dat de cliënt geïrriteerd, onrustig, agressief en onhandelbaar wordt. Een delirante cliënt is vergeetachtig, onthoudt vaak niet wat er gezegd wordt.

Herinneringen zijn vaak slechts brokstukken van wat er gebeurt. Het lange termijngeheugen is meestal intact. Gebeurtenissen uit het verleden spelen vaak vervormd een rol in de psychotische belevingen tijdens het delirium. Vertrouwde personen herkent de cliënt soms niet, het gevoel van tijd en plaats is verloren. De omgeving kan het beeld dan gemakkelijk verwarren met dat van dementie.

Er kan sprake zijn van waanideeën of hallucinaties bijvoorbeeld in de vorm van beestjes zien of stemmen / geluiden horen. Vaak zijn de hallucinaties zeer levensecht, kleurrijk en angstaanjagend. Delirante cliënten zijn meestal achterdochtig. Ze zijn in hun wanen vaak bezig met de dood. Soms hebben ze de vaste overtuiging dat ze vergiftigd of vermoord worden en dat mensen in hun naaste omgeving in het complot zitten. Deze waarnemingsstoornissen komen 's nachts meer voor, wanneer zintuiglijke prikkels minder sterk zijn.
Naast onrustig gedrag kunnen delirante mensen ook zeer geremd en apathisch gedrag vertonen en in een diepe slaaptoestand raken.
Een cliënt met een stil delier kan ook hallucinaties hebben. Hij kan dan angstig worden, maar kan het niet uiten. In hun verwardheid kunnen dergelijke cliënten zichzelf schade toebrengen, bijvoorbeeld omdat ze niet meer weten dat ze in bed moeten blijven liggen, of niet begrijpen dat ze een infuus in hebben. Ze hebben de neiging te gaan plukken aan de lijnen of de dekens.

Bij delirante cliënten kan de stemming sterk wisselen: radeloosheid, dan weer apathisch, angstig of somber, soms zijn ze vijandig en geprikkeld, en heel soms euforisch.

Vaak wordt een delier niet of niet tijdig herkend, omdat het verraderlijk wisselende symptomen kan hebben. Overdag wil een cliënt nog wel eens rustig en helder zijn, de symptomen zijn dan volledig afwezig. Dat kan zorgverleners op het verkeerde been zetten: ze merken niets vreemds en denken dat er niets aan de hand is. Ook worden deliersymptomen bij cliënten soms niet onderkend, omdat het (onterechte) idee bestaat dat deze wel vaker in de war is.
Bovendien wordt een delier vaak aangezien voor dementie of een depressie. Desondanks is een delier toch redelijk gemakkelijk vast te stellen door continue en gerichte observatie. In ziekenhuizen wordt de DOS-schaal (Delirium Observatie Screening) hiervoor gebruikt.

Behandeling
De behandeling van een delier richt zich op drie zaken:

  1. Behandeling van de somatische aandoening en medicatie onder de loep nemen.
  2. Behandeling van het delier zelf. Met medicatie kan grote onrust, angst, waanideeën en hallucinaties worden bestreden.
  3. Inzetten van ondersteunende maatregelen, als een klok om het besef van tijd te verbeteren. Het besef van realiteit wordt verbeterd door vertrouwde voorwerpen, personen of foto's in de buurt. Houd eventuele bril of gehoorapparaat bij de hand. Geef voorlichting aan de familie en zorg ervoor dat de cliënt goed eet of drinkt.

De periode dat een delier duurt, kan variëren van enkele uren tot enkele dagen en soms enkele weken. De duur is niet alleen afhankelijk van de ernst van de onderliggende somatische aandoening, maar ook van de toestand van de cliënt. Als het delier wordt uitgelokt door beschadiging van de hersenen zelf, kan herstel lang op zich laten wachten of is er geen herstel meer mogelijk.

Wat kun je doen?
Wees alert op een delier als een cliënt mogelijk tot een risicogroep behoort. Een geringe aanleiding, bijvoorbeeld een blaasontsteking, kan bij deze groep al een delier veroorzaken. Start dan ook tijdig met de DOS-schaal.
Spreek rustig en in korte zinnen. Zeg wie je bent en wat je komt doen als je de kamer binnenkomt. Herhaal dit indien nodig. Noem de dag en de plaats en vertel de cliënt waarom hij daar is. Bezoek is erg belangrijk, maar veel personen tegelijk of een te lange bezoektijd in één keer is vermoeiend en verwarrend. Het bezoek hoeft niet steeds te praten, hun aanwezigheid is al genoeg. Laat de familie enkele vertrouwde zaken meenemen, zoals een foto, een klok of een kalender. Let erop dat bril of gehoorapparaat worden gebruikt. Maak het delier bespreekbaar. Sommige cliënten weten wat ze doen en schamen zich er achteraf voor.
Zorg voor goede verlichting, open overdag de gordijnen, zorg 's nachts voor een bedlampje of sluimerverlichting. Ga niet mee in de hallucinaties of waanideeën. Probeer deze niet tegen te spreken, maar maak duidelijk dat jouw waarneming anders is. Praat over bestaande personen en echte gebeurtenissen. Tot slot, realiseer je dat iemand met een delier ziek is en zich niet anders kan gedragen dan hij doet, al lijkt het soms of de cliënt zijn best niet doet.

Praktische tips

  • Gebruik duidelijke korte zinnen.
  • Noem je eigen naam als je komt en zeg wat je komt doen.
  • Zeg welke dag het is en welk tijdstip.
  • Stel eenvoudige keuzevragen. Dus niet: "Wat wilt u drinken?", maar bijvoorbeeld: "Wilt u koffie?"
  • Beschrijf de realiteit als de verwarde cliënt deze fout interpreteert, maar doe dit niet bestraffend.
  • Probeer te praten over alledaagse voorvallen in de directe omgeving.
  • Zeg het als je weggaat, wanneer je terugkomt of wie er na jou komt.
  • Gebruik niet alleen woorden om dingen duidelijk te maken, maar ook gebaren en lichaamstaal, zoals oogcontact en aanraken.
  • Zorg voor een aantal herkenbare oriëntatiepunten, zoals bekende en vertrouwde voorwerpen, bijvoorbeeld foto's en kleding.
  • Probeer een gevoel van veiligheid te bieden door bijvoorbeeld te troosten en in te gaan op onrustige en/of verwarde gevoelens te corrigeren.
Scroll To Top