onderzoek

Dementie en neuropsychologisch onderzoek

Na een eerste onderzoek door de huisarts en bij vermoeden van een dementie, zal hij de patiënt doorverwijzen naar een geriater. De geriater zal uitgebreid onderzoek doen en eventueel doorverwijzen naar een neuropsycholoog. In regio's of ziekenhuizen waar geen geriatrie is, wordt deze rol vervuld door een neuropsycholoog. Het kan ook dat de patiënt naar de GGZ ouderenzorg wordt verwezen. Diverse ziekenhuizen in Nederland hebben een afdeling geriatrie.
De neuropsycholoog tracht door het bestuderen van het gedrag van de patiënt te achterhalen wat zich in de hersenen afspeelt. Hierbij wordt vooral gelet de werking van het geheugen, de stemming van de patiënt, het omgaan met problemen en praktisch handelen. Het neuropsychologisch onderzoek probeert vooral antwoorden te vinden op vragen als: Aan welke vorm van dementie lijdt de patiënt? en Waar is de patiënt nog toe in staat? Het doel van het onderzoek is het vaststellen van welke vormen van begeleiding en/of behandeling voor de patiënt het meest geschikt zijn.

Gesprekken
Het neuropsychologisch onderzoek bestaat uit een aantal gesprekken en tests. In een eerste gesprek worden het doel van het onderzoek en de gang van zaken uitgelegd. Middels vervolggesprekken wordt een beeld verkregen van het dagelijks leven van de patiënt in het heden en het verleden. Dit wordt ook wel de anamnese genoemd. Ook de partner en/of andere familieleden kunnen hierbij een bijdrage leveren.
Tijdens de gesprekken wordt onder meer aandacht besteed aan de volgende aspecten:

  • werking van de zintuigen: hoe functioneren gezicht en gehoor?
  • hoe is de motoriek: welke handelingen kan een patiënt nog uitvoeren?
  • hoe is de stemming van de patiënt en hoe gaat hij/zij om met de ziekte?
  • medische anamnese: waar is de patiënt eerder voor behandeld, welke medicijnen werden en worden er gebruikt, gebruikt de patiënt ook alcohol en of drugs?
  • wat voor opleiding heeft de patiënt genoten en waaruit bestaan de dagelijkse bezigheden, werk en hobby’s?
  • hoe zijn de sociale en de gezinssituatie?

Tests
Tijdens verschillende tests probeert de neuropsycholoog te bepalen in welke mate er sprake is van dementie en aan welk soort dementie de patiënt lijdt. Voor het eerste, korte onderzoek worden meestal standaardtests gebruikt die een beeld geven van de werking van het geheugen. De resultaten van deze test worden samengevoegd met die van een of meerdere vervolgtests, die doorgaans wat meer tijd in beslag nemen. Tezamen worden in deze tests de volgende aspecten onder de loep genomen:

  • hoe werkt het geheugen?:
  • hoe gaat de patiënt om met oude en nieuwe informatie, in hoeverre kan de patiënt leren, onthouden en ophalen van informatie?
  • hoe vaardig kan de patiënt nog omgaan met de taal: kan de patiënt nog praten, lezen, schrijven en begrijpen?
  • kan de patiënt nog rekenen?
  • kan een patiënt waarnemen, plannen, construeren, organiseren en controleren?
  • hoe is het gesteld met intelligentie, tempo, aandacht en concentratie?

Een voorbeeld van een dergelijke korte test is de Mini Mental State Examination.

Verslag
Alle bevindingen van het onderzoek worden vastgelegd in een verslag of functioneringsprofiel. Dit zal in een nagesprek met de patiënt en de directbetrokkenen worden besproken. Uit dit profiel blijkt waar de patiënt nog toe in staat is, wat nog goed gaat en waar de patiënt moeite mee heeft. Op basis van deze gegevens kan het volgende worden vastgesteld:

  • is er sprake van dementie en zo ja, welke vorm?
  • wat is de prognose voor het verdere ziekteverloop?
  • wat voor behandeling en begeleiding is er mogelijk?
  • moet de patiënt terugkomen voor herhalingsonderzoek?

Een herhalingsonderzoek kan nodig zijn als de uitslag niet eenduidig is. Na een tweede onderzoek, dat na bijvoorbeeld zes maanden tot een jaar kan plaatsvinden, kan worden gekeken of er sprake is van achteruitgang.

© BTSG 2017