Home BTSG Bibliotheek Trainingen BTSG academie EVV GVP ThemaBulletin  
Sinds 1983 actief in de zorg voor ouderen Bijgewerkt op: woensdag 19 juli 2017     Cookiebeleid

KvK 67669298

 
BOPZ
- algemene informatie
- brochures BOPZ
- in het verzorgingshuis
- onderzoek uitvoering BOPZ
- wettelijk vertegenwoordiger
- wilsonbekwaamheid
- wetsvoorstel 'Zorg en dwang'
- vrijheidsbeperkende maatregelen
Gerelateerde onderwerpen
- wetten in de zorg
- ondersteuning bij aanvraag voor erkenning BOPZ



BOPZ, algemene informatie

Voorgeschiedenis
Het wetsvoorstel BOPZ (Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen) werd in 1971 ingediend. Meer dan twintig jaar later, in 1992, verscheen de wet in het Staatsblad. In 1994 trad de wet in werking. De parlementaire behandeling heeft zeer lang geduurd. Het ging om de wettelijke regeling van zaken (dwangopneming, dwangbehandeling) waarover de meningen in de samenleving sterk uiteenliepen.
De Wet BOPZ is de opvolger van de Krankzinnigenwet. De eisen "stoornis", "gevaar" en "causaal verband tussen stoornis en gevaar" werden ook al onder het regime van de Krankzinnigenwet gesteld. Reeds vanaf 1982 hanteert de Hoge Raad, het hoogste Nederlandse rechtscollege, het gevaarscriterium. Dit is vastgelegd in de Wet BOPZ. Het vereiste 'geen blijk geven van de nodige bereidheid" ("bereidheidscriterium"), is in de BOPZ in de plaats gekomen van het bezwaarcriterium. Nu moeten niet alleen personen die zich tegen opname verzetten, maar ook degenen die geen blijk (kunnen) geven van instemming of verzet, met een BOPZ-maatregel worden opgenomen.
Met name op het punt van de rechtsbescherming van de patiŽnt bevat de Wet BOPZ ten opzichte van de Krankzinnigenwet veel belangrijke verbeteringen. Zo kent de Wet BOPZ bijvoorbeeld een regeling van de rechten van de patiŽnt tijdens het onvrijwillig verblijf.

Het doel van de is om mensen die te maken krijgen met gedwongen opname wettelijk te beschermen. Dat is voorgeschreven door de Grondwet en het Europees verdrag voor de rechten van de mens. De wet vervangt de Krankzinnigenwet en is van toepassing op een bredere groep mensen. De wettelijke eisen gelden voor de gedwongen opnamen en behandelingen in de psychiatrie, de zorg voor verstandelijk gehandicapten en de psychogeriatrie (ouderenzorg gericht op dementerenden). De wet geldt ook voor mensen die niet kunnen aangeven of ze willen worden opgenomen. Verder staat in deze wet wat de rechten zijn van bewoners tijdens hun onvrijwillige opname. Personen die gedwongen zijn opgenomen kunnen een beroep doen op het algemene klachtrecht en in sommige gevallen op de speciale BOPZ-klachtregeling. Een belangrijk uitgangspunt bij gedwongen opnamen is 'het afwenden van gevaar' voor de personen zelf, anderen of hun omgeving.
Het ministerie van VWS is primair verantwoordelijk voor de Wet BOPZ en het beleid rondom de wet, daarnaast is ook het ministerie van Justitie verantwoordelijk. De Inspectie voor de Gezondheidszorg houdt toezicht op de juiste uitvoering van de wet.

Wettelijke criteria voor onvrijwillige opneming
Voor onvrijwillige opneming gelden de volgende voorwaarden:

  • De betrokken persoon heeft een geestesstoornis (of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens)
  • De geestesstoornis veroorzaakt gevaar voor de betrokkene zelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen
  • Het gevaar kan niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis worden afgewend
  • De betrokkene geeft geen blijk van de nodige bereidheid om zich te laten behandelen.

Als aan ťťn van deze voorwaarden niet is voldaan, kan de onvrijwillige opneming niet doorgaan.

BOPZ en procedures
Als iemand onvrijwillig wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, een instelling voor mensen met een verstandelijke handicap of een verpleeg- of verzorgingshuis, dan is de Wet BOPZ van toepassing. De wet beschrijft de procedures die gelden bij opname, maar gaat ook in op de rechten van een persoon tijdens zijn onvrijwillige verblijf in een instelling.
De wet maakt onderscheid tussen verschillende omstandigheden waaronder iemand wordt opgenomen. Hieronder worden de mogelijkheden kort beschreven.

Voor alle personen geldt de volgende procedure.

  • Bij verzet: rechterlijke machtiging (RM) of in bewaringstelling (IBW)
    Als iemand zich verzet tegen opname, dan is een voorlopige rechterlijke machtiging (RM) of - als er veel haast bij is - een inbewaringstelling (IBW) van de burgemeester nodig. Dat kan alleen als het gevaar dat de persoon vormt - voor zichzelf, anderen of de omgeving - niet op een andere manier is af te wenden en voortkomt uit de geestesstoornis.
    Deze machtiging geldt eerst voor maximaal zes maanden, met de mogelijkheid van verlenging met telkens ťťn jaar. Deze verlenging wordt aangeduid als "machtiging tot voortgezet verblijf".

Alleen voor mensen met een verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening geldt de volgende procedure:

  • Artikel 60 procedure
    Geen bereidheid, geen bezwaar. Mensen die niet instemmen maar zich ook niet verzetten tegen opname, kunnen wel worden opgenomen als de BOPZ-indicatiecommissie oordeelt dat dat noodzakelijk is.

Alleen voor psychiatrische patiŽnten kunnen de volgende procedures van toepassing zijn:

  • Een psychiatrische patiŽnt kan ook een machtiging op eigen verzoek verkrijgen. Dit is van toepassing wanneer hij of zij aanvankelijk wel wil worden opgenomen, maar vermoedt later de opname te willen stopzetten.
  • Sinds 1 januari 2004 bestaat tevens de voorwaardelijke machtiging. Met behulp van een voorwaardelijke machtiging wordt iemand niťt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, zolang hij zich houdt aan bepaalde voorwaarden, bijvoorbeeld het innemen van bepaalde medicijnen. Deze machtiging geldt eerst voor maximaal zes maanden, met de mogelijkheid van verlenging met telkens ťťn jaar.
  • In de loop van 2004 is bovendien het wetsvoorstel voor de observatiemachtiging in werking getreden. De observatiemachtiging is bedoeld voor mensen van wie het ernstige vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor zichzelf door hun geestesstoornis. Iemand kan dan maximaal drie weken worden opgenomen. Daarna kan deze persoon weer naar huis; het kan ook gebeuren dat er bijvoorbeeld een inbewaringstelling, een voorlopige machtiging of voorwaardelijke machtiging nodig is.

Dwangtoepassing: middelen en maatregelen (M&M)
Slechts bij uitzondering mag onder het regime van de Wet BOPZ tegen de wil van patiŽnt of vertegenwoordiger worden behandeld of mogen er M&M (vrijheidsbeperkende maatregelen) worden toegepast. Deze uitzonderingssituaties worden in de wet omschreven als dwangbehandeling. Onder dwangbehandeling wordt verstaan 'het uitvoeren van een (deel van het) behandelplan zonder toestemming of bij verzet'.
Voor dwangbehandeling geldt een aangescherpt gevaarscriterium: "voor zover dit volstrekt noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de patiŽnt of anderen, voortvloeiende uit de stoornis van de geestvermogens, af te wenden". Anders dan in de WGBO is daarbij niet van belang of de patiŽnt al dan niet wilsbekwaam is. In de WGBO is dwangbehandeling namelijk alleen bij wilsonbekwame patiŽnten toegestaan, en dan met toestemming van de vertegenwoordiger als dit "kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de patiŽnt te voorkomen".

Er zijn verschillende vormen van dwangbehandeling. De wet BOPZ maakt een onderscheid tussen dwangbehandeling voor korte tijd, maximaal zeven dagen, en dwangbehandeling voor langere tijd:

  1. Als dwangbehandeling in een acute situatie wordt ingezet, wordt dit 'toepassing van Middelen en Maatregelen' genoemd. Er is een acuut gevaar ontstaan en het is noodzakelijk om meteen in te grijpen. In deze situatie mag het toepassen van Middelen en Maatregelen maximaal zeven dagen duren.
    Soms worden vooraf met de bewoner afspraken gemaakt over de toepassing van middelen en maatregelen in een acute situatie. Deze afspraken worden vermeld in het zorg(leef)plan.
  2. Als dwangbehandeling voor langere tijd noodzakelijk is, wordt dit opgenomen in het zorg(leef)plan. Er is geen sprake van een acute situatie, maar van een gevaar dat langere tijd aanwezig is. Dwangbehandeling wordt dan langer dan zeven dagen toegepast. Er is dan geen sprake meer van het 'toepassen van Middelen en Maatregelen', maar van dwangbehandeling zonder meer.

De keuze van de middelen bij (dwang)behandeling wordt aan de behandelaar overgelaten. Deze moet zo min mogelijk inbreuk maken op de rechten van de patiŽnt. Ook moet hij steeds het doel (afwenden van ernstig gevaar) voor ogen houden. De middelen die hij toepast moeten wel in het schriftelijke behandelingsplan zijn opgenomen.
Toegestane M&M zijn beperkt tot:

  • afzondering,
  • separatie,
  • fixatie,
  • toediening van vocht en/of voeding en medicatie.

Dwangbehandeling kent geen wettelijke maximumduur, al moet deze behandeling worden beŽindigd wanneer het ernstig gevaar is geweken.
De toepassing van M&M is gebonden aan een maximumduur van zeven opeenvolgende dagen. Wanneer deze langer dan zeven dagen moeten worden toegepast, moeten de M&M getoetst worden aan de regels van dwangbehandeling.

Verhouding Wet BOPZ - WGBO
De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) blijft ook voor onvrijwillig opgenomen patiŽnten, naast de Wet BOPZ, van belang. Dit geldt voor onderwerpen waarover de BOPZ zwijgt, bijvoorbeeld de informatieverstrekking over de behandeling. Voor onderwerpen die niet in de BOPZ zijn geregeld vult de WGBO de BOPZ aan.
De WGBO is ook van toepassing op psychiatrische behandelingen waarop de Wet BOPZ geen betrekking heeft, namelijk behandelingen die niet gericht zijn op opheffing van het gevaar dat de aanleiding voor de opneming was. Bovendien geldt voor alle somatische behandelingen, ook voor de somatische behandeling van onvrijwillig opgenomen patiŽnten, de WGBO.

Bron: Ministerie van VWS

© BTSG 2017

Disclaimer