Skip to content

pijn

Pijn bij dementie

Dementie gaat dikwijls gepaard met vormen van gedrag die problemen geven voor de dementerende en/of zijn omgeving. 80% Van de cliënten met gevorderde dementie vertoont gedragsproblemen als onrust, agitatie, apathie, agressie of depressie. Deze vergroten de zorgafhankelijkheid, de zorglast van de zorgverleners of de mantelzorgers en hebben vaak negatieve invloed op andere cliënten. Het lastige is dat dergelijk gedrag veel verschillende oorzaken kan hebben en dat het moeilijk is om te begrijpen waar de cliënt precies last van heeft en waar dit vandaan komt.

Lichamelijke aandoeningen, pijn, depressie of bepaalde omgevingsfactoren hebben allemaal weerslag op het gedrag. Het gevolg is dat alleen het gedrag behandeld wordt, vaak met het voorschrijven van psychofarmaca (met bijwerkingen als sufheid, slikproblemen en vallen). Het gedrag wordt zo niet gezien als signaal en de bijwerkingen van de medicatie brengen de dementerende van de regen in de drup. Een goede analyse van de achtergronden van gedrag is daarom wenselijk.

Pijn is een van de oorzaken die kan leiden tot gedragsverandering, bijvoorbeeld tot agitatie. Uit onderzoek is bekend dat pijn bij ouderen veelvuldig voorkomt, maar de herkenning en de behandeling ervan is al jaren onderwerp van discussie. Ook blijkt uit onderzoek dat dementerenden minder pijnstillers krijgen dan ouderen zonder dementie, ook al hebben zij een heupfractuur, kanker of gewrichtsaandoeningen. Kennelijk is men terughoudend om hen pijnmedicatie te geven.

Pijn meten met PACSLAC
Meetinstrumenten om pijn op te sporen in kaart te brengen en te volgen zoals de ‘Pain Assessment Checklist for Seniors with severe Dementia’, kortweg de PACSLAC (zie rechts), worden nog weinig gebruikt.
De lijst bestaat uit 24 items gecluterd in drie categorieën: gelaat, verzet/afweer en sociaal/emotioneel. Als een item aanwezig is tijdens de observatie, dan wordt deze gescoord. Een score van 4 of hoger duidt mogelijk op pijn.

PAINAD
De Pain Assessment in Advanced Dementia Scale (PAINAD) bestaat uit 5 items en is ontwikkeld voor mensen met gevorderde dementie. Deze schaal bestaat uit 5 gedragsindicatoren: gezichtsuitdrukking, stemgedrag, ademhaling, lichaamstaal en troostbaarheid. Per gedrag indicator kan er gescoord worden van 0 tot 2. Elk item dat als 1 of 2 wordt gescoord, kan duiden op mogelijke pijn of ongemak.

EPOS
De Rotterdam Elderly Pain Observation Scale (REPOS) bestaat uit 10 items. Het instrumenten bestaat uit 10 gedragingen die als kenmerkend worden gezien voor pijn. Deze worden op een instructiekaart toegelicht. Als het gedrag aanwezig is, dan wordt deze gescoord. Bij een score van 3 of hoger is er mogelijke sprake van pijn. De REPOS bevat ook een beslisboom, waarin mogelijke oorzaken en acties worden beschreven.

DOLOPLUS-2
Deze bestaat uit 10 items en is ontwikkeld om pijn bij ouderen te observeren en te meten. De items zijn geclusterd in drie categorieën: lichamelijke, psychomotorische en psychosociale reactie. Een score van 5 of hoger duidt mogelijk op aanwezigheid van pijn. Op de website van Pijnverpleegkundigen.nl staan het observatie-instrument, de handleiding en de beschrijving van de items van de DOLOPLUS-2.

Pijn bij vasculaire dementie en Alzheimer
Er loopt een onderzoek naar de theorie dat de onderbehandeling van pijn vooral voorkomt bij cliënten met vasculaire dementie. Deze hebben beschadigingen in de 'witte stof' van de hersenen. Deze stof vormt de verbindingen tussen hersengebieden. Beschadigingen van deze verbindingen kan ervoor zorgen dat informatie niet meer op de juiste manier wordt verwerkt, wat kan leiden tot 'centrale pijn'. Dit is pijn die ontstaat zonder dat pijnzenuwen worden geactiveerd door pijnprikkels. De ziekte van Alzheimer wordt daarentegen gekenmerkt door verlies van zenuwcellen, wat mogelijk tot een afname van pijnbeleving kan leiden.
Het onderzoek wordt geleid door professor dr. Erik Scherder.
Sta OP: Stapsgewijs Onbegerepen gedrag en Pijn bij dementie de baas
Zogenoemde 'comfort-interventies' (zoals snoezelen, reminiscentie of aanpassen van de dagstructuur) worden nog te weinig gebruikt bij problematisch gedrag. Dat is jammer, omdat deze interventies vaak beter werken dan medicatie. Om zorgverleners te ondersteunen bij een stapsgewijze beoordeling van onbegrepen gedrag en bij begeleiding en behandeling is in de Verenigde Staten een protocol ontwikkeld: de zogeheten ‘Serial Trial Intervention (STI)’. Dit is bedoeld om:

  • Onbegrepen gedrag nauwkeuriger te beoordelen bij cliënten die dit niet meer goed verbaal duidelijk kunnen maken (cliënten met gevorderde dementie).
  • Een betere en meer op het individu toegesneden behande­ling te bieden van zowel pijnklachten als probleemgedrag. Omdat pijn vaak voorkomt en de behandeling relatief eenvoudig is, neemt pijnbestrijding een belangrijke plaats in in het protocol.

Het interessante van deze methodiek is, dat de meest voorkomende oorzaken van gedragsproblemen systematisch geanalyseerd en aangepakt worden. De methode is gebaseerd op het zogenaamde ‘unmet-need-model’. Dit model gaat ervan uit dat het vermogen van een demente cliënt om zijn behoeften en zijn ongemakken te communiceren achteruitgaat, naarmate de dementie vordert. Behoeften waaraan niet wordt voldaan maakt de cliënt dan kenbaar via zijn gedrag, bijvoorbeeld door onrust, zorg weigeren, huilen en afzondering zoeken. Dit gedrag wordt door de omgeving vaak niet begrepen als uiting of symptoom van ongemak, pijn of ander leed (vandaar dat men spreekt van 'onbegrepen gedrag' in plaats van 'gedragsproblemen'. En gedrag dat niet wordt herkend als uiting van ongemak en/of pijn (en dus ook niet adequaat wordt behandeld), kan weer leiden tot ander, vaak negatief gedrag.

Dit Amerikaanse protocol is inmiddels vertaald en bewerkt voor de Nederlandse situatie en heeft als naam gekregen: STA OP! (STApsgewijs Onbegrepen gedrag en Pijn bij dementie de baas!). Belangrijk startpunt van STA OP! is het herkennen en signa­leren van gedragsveranderingen en onbegrepen gedrag. Bij cliënten met dementie bij wie door het (multidisciplinaire) team onbegrepen gedrag of gedragsveranderingen zijn vast­gesteld, wordt stapsgewijs gekeken of we voor dit gedrag een verklaring kunnen vinden, zodat men tijdig met een juiste behandeling kan beginnen. Stapsgewijs gaan we na of er sprake is van lichamelijke en/of psychosociale problemen, er in alle basisbehoef­ten is voorzien en of er storende omgevingsfactoren aanwezig zijn die mogelijk ten grondslag liggen aan het gedrag (zie kader 'Stappenplan').


Stappenplan STA OP!

Doorloop de volgende stappen, tot het gedrag verklaard is en het probleem is opgelost:

  1. Beoordeling van basisbehoeften
    (moet de cliënt nodig naar het toilet, zitten de kleren te strak?
  2. Beoordeling pijn en lichamelijke behoeften
    (is er sprake van urineweginfectie?)
  3. Beoordeling van psychosociale behoeften
    (heeft de cliënt meer baat bij andere activiteiten?)
  4. Comfort-interventies
    (bijvoorbeeld snoezelen).
  5. Proefbehandeling met pijnmedicatie (bijvoorbeeld paracetamol).
  6. Consultatie van anderen en / of proefbehandeling met psychofarmaca.

 

Scroll To Top