Skip to content

shutterstock_554965387

De ziekte van Alzheimer en erfelijkheid

Al in 1934 stelden onderzoekers vast dat de ziekte van Alzheimer in een aantal gevallen een dominant erfelijkheidspatroon tentoonspreidde. Men nam aan dat het hier om een zeldzame vorm van Alzheimer ging. Omdat de ziekte meestal pas op hoge leeftijd begint, is het echter moeilijk te bepalen in hoeverre erfelijke factoren een rol spelen.
Met behulp van moleculair genetische technieken heeft men ruim een halve eeuw later bepaalde stukjes van drie verschillende chromosomen (erfelijkheidsdragers) kunnen aanwijzen die bij sommige gevallen van de ziekte een rol spelen, maar bij andere gevallen niet. Deze vaststelling steunt de theorie dat Alzheimer een complexe ziekte is, met andere woorden dat verschillende erfelijke factoren eenzelfde ziektebeeld teweeg kunnen brengen.
Deze bevindingen hebben niet alleen gevolgen voor de ontwikkeling van tests om een verhoogd risico op het krijgen van Alzheimer te bepalen, maar ook voor het onderzoek naar biologische mechanismen die aan de basis van deze ziekte liggen.

Alzheimer en de familie
De kans om de ziekte van Alzheimer te krijgen is iets verhoogd voor iemand die een eerstegraads familielid met de ziekte heeft. Als Alzheimer bij meer leden van een familie voorkomt spreekt men van de familiaire vorm. Overigens zegt 'familiair' niets over de oorzaak: er kan een erfelijke factor in het spel zijn, maar het kan ook zijn dat men blootgesteld is geweest aan eenzelfde omgevingsinvloed. Zijn er geen andere Alzheimerpatiënten in de familie, dan noemt men de ziekte 'sporadisch'.
Het onderscheid tussen 'familiair' en 'sporadisch' voorkomen is in de praktijk niet scherp te maken, maar de bestudering van enkele bijzondere familiaire gevallen heeft de eerste mogelijk genetische gerelateerde oorzaken van Alzheimer opgeleverd.

De vroege familiaire vorm en chromosomen
Een klein percentage (1-10%) van de personen die lijden aan de ziekte van Alzheimer wordt op jonge leeftijd (soms vóór het 40e levensjaar) gediagnostiseerd. In 1987 werd een gebiedje op chromosoom 21 gevonden in een paar families waarin de vroege vorm voorkomt. In datzelfde jaar ontdekte men dat de genetische codering voor het zogenaamde Amyloïd Precursor Proteïne op dit chromosoom ligt. APP is het proteïne waarvan een stof wordt afgesplitst (β-amyloïd) dat het hoofdbestanddeel vormt van de karakteristieke Alzheimer-plaques. Onderzoek in latere jaren heeft opgeleverd dat bij minder dan 15 families definitief kon worden vastgesteld dat er sprake was van een duidelijk overervingspatroon als gevolg van mutaties op dit chromosoom.
Eind 1992 berichtten vier verschillende onderzoekscentra dat in een gebied op chromosoom 14 mutaties voorkomen die verband houden met veel vroeg optredende familiaire Alzheimers, waarbij geen sprake is van mutaties op chromosoom 21. De leeftijd waarop de eerste verschijnselen van de ziekte optreden in deze families ligt rond 45 jaar.
Mutaties op de chromosomen 21 en 14 worden echter niet bij alle gevallen van vroege familiaire Alzheimers gevonden. Kennelijk is er nog tenminste één - tot nu toe onbekende - genetische factor in het spel. Alzheimer treedt het meest op bij mensen van 65 jaar of ouder, zonder dat er mutaties op één van deze chromosomen gevonden worden.

De late familiaire vorm en chromosomen
De erfelijke bijdrage aan Alzheimer op hoge leeftijd is lastiger vast te stellen door de aard van de ziekte en doordat verwanten overleden zijn voordat verschijnselen van de ziekte optreden. In 1991 werd het eerste bewijs geleverd voor een verband tussen familiaire Alzheimer op latere leeftijd en een genetische afwijking opchromosoom 19. Het gaat om een specifiek gen dat zorgt voor de aanmaak van apolipoproteïne E, een plasma-eiwit dat is betrokken bij het transport van cholesterol en mogelijk een aantal andere biologische activiteiten. Vooral de aanwezigheid van een dubbele kopie van dit gen lijkt samen te gaan met een verhoogd risico op het krijgen van de ziekte van Alzheimer.
Ook hier is de relatie niet eenduidig: bij autopsie werd bij 40% van een groep niet familiaire Alzheimerpatiënten het betreffende gen ook aangetroffen terwijl er ook personen werden gevonden die wel de ziekte van Alzheimer hadden maar niet de genetische afwijking van het gen.

Conclusie
Er zijn aanwijzingen dat overerving een rol speelt bij bepaalde gevallen van de vroege familiaire vorm. Bij de late familiaire vorm is overerving onwaarschijnlijk.
Welke rol genetische factoren een rol spelen bij het ontstaan van de ziekte van Alzheimer, blijft nog onderwerp van onderzoek.

Bron: Internationale Stichting Alzheimer Onderzoek: www.alzheimer.nl

Scroll To Top