Skip to content

huishouding

Zorgfuncties

Er worden zeven zorgfuncties onderscheiden: huishoudelijke en persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende en activerende begeleiding, behandeling en verblijf.
De zorgfuncties kunnen geleverd worden wanneer sprake is van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijk, lichamelijk of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem dat leidt of dreigt te leiden tot ontwrichting van de woon- of leefsituatie.

  1. Huishoudelijke verzorging
    Het gaat om het ondersteunen bij, of het overnemen van activiteiten op het gebied van de huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen (HDL). Er kan gedacht worden aan opruimen, schoonmaken, het verzorgen van planten en huisdieren, bed of bedden opmaken in situaties waarbij de cliënt niet bedlegerig is en de maaltijd klaarmaken. Het gaat hier om de verzorging van het huishouden van de cliënt. Indien de cliënt in een instelling verblijft maakt de huishoudelijke verzorging deel uit van de functie verblijf.
  2. Persoonlijke verzorging
    Het gaat om het ondersteunen bij, of het overnemen van activiteiten op het gebied van de algemene dagelijkse verrichtingen (ADL).
    Daaronder is tevens zorg begrepen die in directe relatie staat tot de persoonlijke verzorging, bijvoorbeeld het opmaken van het bed tijdens het wassen van een bedlegerige cliënt. Bij deze zorg kan gedacht worden aan het wassen en kleden van de cliënt al dan niet op bed, het douchen of baden, het opmaken, scheren, tandenpoetsen, het verzorgen van de huid inclusief decubituspreventie, het aanbrengen van protheses, hulp bij toiletgang, eten en drinken en bij beweging en houding (wisselligging, oefenen van de ledematen, tillen, ondersteunen bij verplaatsen of houdingcorrectie, vervoeren in rolstoel). Ook het stimuleren van zelfredzaamheid en het zo mogelijk aanleren van ADL-activiteiten maakt deel uit van deze functie.
  3. Verpleging
    Bij verpleging gaat het om het herkennen en analyseren van gezondheidsproblemen en het uitvoeren van daarmee samenhangende verpleegtechnische handelingen. Bij verpleging valt te denken aan het toedienen van medicijnen, zuurstof, het aanbrengen van een infuus of katheter, wondverzorging, lichamelijke controles en het geven van injecties. Ook gaat het om het oefenen met de cliënt om zelf injecties te geven en om te gaan met zuurstof. Verder omvat verpleging onderzoek naar de gezondheid alsmede het geven van advies, instructie en voorlichting over omgang met ziekte, preventie en hulpmiddelen en dergelijke. De term 'voorkoming van verergering' houdt ook in dat het kan gaan om palliatieve zorg.
  4. Ondersteunende begeleiding
    Ondersteunende begeleiding neemt de aandoening, beperking of handicap voor gegeven aan en bouwt daarop verder. De begeleiding gaat dus uit van de (rest)mogelijkheden van de cliënt. Bij ondersteunende begeleiding gaat het om activiteiten die de cliënt ondersteunen bij zijn dagindeling en zijn participatie in de maatschappij bevorderen. Daarbij kan gedacht worden aan het structureren van de dag, het geven van praktische hulp, het in het kader van de doelstelling van de zorg vergezellen van de cliënt, het bieden van ondersteuning bij het voeren van de regie over het leven.
    De ondersteunende begeleiding vindt onder andere plaats door middel van gesprekken en non-verbale communicatie, het oefenen van dagelijkse vaardigheden en het stimuleren van gedrag dat al bij de cliënt aanwezig is. Afhankelijk van de situatie kan de begeleiding zowel individueel als in groepsverband geboden worden. Dag- of nachtopvang in een instelling vallen ook onder deze functie.
  5. Activerende begeleiding
    Activerende begeleiding onderscheidt zich van ondersteunende begeleiding doordat activerende begeleiding de aandoening, beperking of handicap niet voor gegeven aanneemt, maar juist daarop ingrijpt. Met activerende begeleiding wordt de cliënt geleerd (anders) om te gaan met de (gevolgen van de) aandoening, beperking of handicap. Bij deze zorg valt te denken aan het interveniëren in het gedrag van de cliënt (gedragscorrectie), het houden van inzichtgevende gesprekken en non-verbale communicatie, het oefenen van sociale vaardigheden, onderzoek naar de aanwezigheid van problematiek alsmede advies, instructie of voorlichting over de aanpak van de problematiek.
    Tevens valt te denken aan case-management op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg. Hierbij gaat het onder meer om de begeleiding die de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige geeft aan thuiswonende cliënten met een psychiatrische stoornis.
    Deze begeleiding houdt in dat gedrags- en psychische problemen die voortkomen uit de psychiatrische stoornis zo mogelijk worden voorkomen of tijdig worden onderkend zodat een daarop afgestemde interventie kan plaatsvinden. Het gaat hier om begeleiding gericht op herstel of voorkomen van verergering van gedrags- en psychische problematiek. Voor de formulering van de activerende begeleiding is het niet relevant dat het bij case-management gaat om een psychiatrische stoornis. Deze psychiatrische stoornis is dan ook hier niet genoemd.
    Afhankelijk van de situatie kan de begeleiding zowel individueel als in groepsverband geboden worden. Activerende begeleiding gedurende een dagdeel in een instelling valt eveneens onder deze functie.
  6. Behandeling
    Behandeling onderscheidt zich van activerende begeleiding in die zin dat bij activerende begeleiding de diagnose is gesteld en het bijbehorende onderzoek is verricht.
    Voor behandeling is kenmerkend dat de diagnose nog niet is gesteld en het onderzoek ten behoeve daarvan nog moet worden verricht. De behandeling is gericht op herstel of voorkomen van verergering van de aandoening of handicap, niet op het leren omgaan met de (gevolgen van de) aandoening of handicap. Dit laatste vormt een onderdeel van de functie activerende begeleiding.
    In de praktijk zullen behandeling en activerende begeleiding vaak hand in hand gaan. Toch is het zaak behandeling en activerende begeleiding goed uit elkaar te houden. Het feit dat activerende begeleiding, zeker in de geestelijke gezondheidszorg, vaak wordt gegeven door personen die in hun beroepsgroep bekend staan als 'behandelaar', maakt van de te verrichten activiteit nog geen behandeling in de zin van de functie behandeling. Net zo min als uit de naam sociaal psychiatrische verpleegkundige kan worden afgeleid dat deze persoon verpleging biedt. Onder deze behandeling valt ook behandeling van een cliënt met verslavingsproblematiek.
  7. Verblijf
    Bij verblijf wordt de cliënt een therapeutische of beschermende leefomgeving geboden waarin toezicht beschikbaar is. Het verblijf kan tijdelijk of duurzaam zijn. Gaat het om tijdelijk verblijf dan staan herstel en het draaglijk maken van de gevolgen van de aandoening of handicap centraal, dan wel het ontlasten van de mantelzorg. Bij cliënten die langdurig op verblijf in een instelling zijn aangewezen en die op grond van hun aandoening/handicap behoefte hebben aan toezicht, staat het garanderen van een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven centraal.
    De voorwaarde 'indien een therapeutische of beschermende leefomgeving dan wel permanent toezicht is aangewezen' brengt met zich mee dat de cliënt geen indicatiebesluit voor verblijf kan krijgen als hij ook niet voor een of meer van de andere functies geïndiceerd wordt. Het is immers niet de bedoeling dat de cliënt de functie 'verblijf' los van een of meer andere zorgfuncties kan krijgen. De omschrijving houdt ook in dat het altijd om een instelling moet gaan die voor meer functies dan alleen verblijf is toegelaten. Immers, anders kan een instelling het leveren van een beschermende woonomgeving, een therapeutisch leefklimaat of permanent toezicht niet waarmaken.
    Onder 'verblijf' valt niet de dagverzorging of de dag- en nachtopvang. Die zorg valt onder de ondersteunende- en/of activerende begeleidingsfuncties die, in het kader van de indicatiestelling en bekostiging, naast de indeling gebaseerd op uren ook nog een indeling gebaseerd op dagdelen kent.
    'Logeren' in de zin dat de cliënt dag en nacht een plaats in de instelling bezet, valt onder 'verblijf dat in een therapeutisch of beschermende leefomgeving geboden wordt'. Indien het gaat om 'logeren' louter als nachtopvang dan valt deze onder begeleiding.
    Huishoudelijke verzorging maakt onderdeel uit van het verblijf. De cliënt hoeft dus geen indicatiebesluit voor huishoudelijke verzorging te krijgen indien hij in een instelling verblijft. De instelling dient, als onderdeel van de functie verblijf, bijvoorbeeld de kamer van de cliënt schoon te maken.

 

Scroll To Top